Programma Auschwitzreis

Programma Auschwitzreis Herman en Annelies van Rens

Programma reis Polen 2021

Herman en Annelies van Rens

Beste mensen,

U gaat, tenminste als het coronavirus dat toelaat, deelnemen aan een reis naar Auschwitz en omgeving. Wij maken deze reis vanaf 2013 een of tweemaal per jaar . Wij doen ons best daar een waardevolle gebeurtenis van te maken.

Hieronder informatie over de reis alsmede het programma. De reis zal worden voorafgegaan door een voorlichtingsavond, tevens kennismaking met de deelnemers. Daarover sturen wij u nader bericht.

U kunt dit stuk op twee manieren lezen. Bij snelle lezing van de vetgedrukte stukken krijgt u informatie over doel en programma. De rest van de tekst geeft nadere, vaak meer wetenschappelijke, achtergrondinformatie.

Doel van de reis:

A. Een wetenschappelijke en meer volledige indruk krijgen van het hele ‘project-Auschwitz’. Auschwitz is méér dan een vernietigingskamp voor Joden. Veel mensen die naar Auschwitz reizen, zien daar precies de verkeerde dingen en in ieder geval is het beeld onvolledig.

B. De reis is tevens een herdenkingsreis. De grootste groep Limburgers vertrok met het transport van 28 augustus 1942 uit Westerbork. Dat was in meerder opzichten een bijzonder transport met een eigen geschiedenis. Wij reizen in de voetsporen van dit transport en staan stil op de plaatsen waar de Limburgers geleden hebben en zijn vermoord. Door onze bijzondere relatie met de slachtoffers van de selecties in Cosel zal deze gebeurtenis een grote plaats innemen tijdens deze reis. De herdenking op het station van Cosel is, voor zover wij weten de enige gelegenheid waarop wordt stilgestaan bij deze episode van de Shoah.

Toelichting 1.: Het totaalproject Auschwitz:

De nazi’s hadden met Auschwitz drie doelen:

1. Auschwitz werd een centrum voor de ‘verduitsing’ (Germanisering) van in 1939 geannexeerde gebieden in Opper-Silezië. Polen en Joden moesten vertrekken, om plaats te maken voor (Volks)duitsers. (Deze positie deelde Opper-Silezië met West-Pruisen, de regio rondom Danzig en met de Warthegau rondom Lodz. Dit wordt voorafgaande aan de eerste dag uitgelegd aan de hand van een ter beschikking gesteld kaartje.)

2. Auschwitz werd het centrum voor de economische exploitatie van Opper-Silezië (1940-41): de stad lag in een vruchtbare streek, te midden van een mijngebied en met goede verbindingen per spoor, over de weg en over het water. De eerste industrie was de DESt (Deutsche Erd- und Steinwerke): zand- en grindwinning voor de bouw in Silezië. Auschwitz werd ook een agrarisch onderzoeks- en productiecentrum. Het werd daarnaast vooral vestigingsplaats voor zware en chemische industrie (IG Farben). In dit project paste exploitatie van dwangarbeid, aanvankelijk van ‘gewone’ gevangenen, later van Joden.

3. Auschwitz werd vanaf maart 1942 het centrum voor de uitroeiing van de Joden uit Duitsland en zijn geannexeerde gebieden, West-Europa, Tsjechië , Slowakije, Griekenland en Hongarije, nadat daartoe in december 1941 was besloten. Ook werd Auschwitz verzamelplaats voor de verdrijving en uitroeiing van Roma en Sinti.

Tussen de drie doelstellingen vond ‘kruisbestuiving’ plaats. Behoefte aan woningen voor Volksduitsers versnelde de vervolging van de Joden. Vestiging van Duitsers vroeg om economische ontwikkeling. De economie vroeg om meer (Joodse) dwangarbeiders. Een grote toename van de behoefte aan dwangarbeid in 1944 versterkte de behoefte om versneld de Joden uit Hongarije te deporteren (Uit 448.000 gedeporteerde Hongaarse Joden werden 120.000 arbeiders geselecteerd).

Toelichting 2. De Limburgse Joden en de deportatie van 28 augustus 1942:

Hiervoor verwijs ik naar ‘Vervolgd in Limburg’, blz 120 en verder.

De avond vooraf aan de eerste excursiedag

Op de dag van aankomst in het hotel krijgt u een inleiding op de Shoah in het algemeen. Auschwitz is slechts een deel van de totale genocide op de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de inleiding zullen we ook kort aandacht besteden aan de ‘Holocaust by bullets’ op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie, en aan ‘Operation Reinhard’ in het bezette deel van Polen.

In de inleidende lezing zal ook de opzet en het programma van de reis worden toegelicht.

Eerste excursiedag. Rondrit.

Op de eerste excursiedag maken we met de bus een rondrit vanuit Katowice naar de omgeving van Oswiecim (Auschwitz), Zator en Monowitz. Tijdens meerdere stops krijgt u ter plekke uitleg. Afstand: totaal 120 km.

Doel van de rondrit is om in de omgeving de drievoudige functie van het Auschwitz-complex te laten zien en begrijpen.

De weg gaat via de brug over de rivier de Wisla, dan over een spoorweg (rechts is de richting van Birkenau) en dan over de rivier de Sola. U ziet de infrastructuur van Auschwitz.

Toelichting 3. De geografische situatie van Auschwitz en omgeving

Om Auschwitz en omgeving te kunnen plaatsen in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is het van belang inzicht te hebben in de ingewikkelde historische geografie van de regio Silezië, op de steeds wisselende grens van Duitsland en Polen. Ter illustratie wordt een kaartje uitgedeeld. Van west naar oost:

  • Neder-Silezië (Breslau) altijd Duits geweest; pas in 1945 bij Polen gevoegd.
  • West Opper-Silezië (Gleiwitz, Cosel) altijd Duits geweest; in 1945 bij Polen gevoegd.
  • Oost Opper-Silezië, westelijke helft (Katowice) was oorspronkelijk Duits, in 1918 gevoegd bij de nieuwe staat Polen, in 1939 geannexeerd als integraal deel van het Reich.
  • Oost Opper-Silezië, oostelijke helft (Sosnowiec, Auschwitz), in de Nazitijd aangeduid als ‘Oststreifen’, oorspronkelijk Oostenrijks gebied, in 1918 gevoegd bij nieuwe staat Polen, in 1939 geannexeerd als integraal deel van het Deutsche Reich. Dit deel van Polen, dat op geen enkele manier eerder met Duitsland verbonden was geweest, was interessant voor de Nazi-staat omdat dit het belangrijkste mijnbouw- en industriegebied was van de regio.
  • Centraal Polen (Krakau, Radom, Warschau, Lublin) in 1939 bezet, maar niet geannexeerd. Bestuurd door Hans Frank als Gouvernement Generaal (Generalgouvernement). In dit deel van Polen vond de Operation Reinhard plaats en werden Joden vermoord in Treblinka, Sobibor, Belzec en Majdanek, niet in Auschwitz.
  • Oost-Polen (Vilnius, Bialystok, Brest, Lwow). De oostelijke 45 procent van het toenmalige Poolse grondgebied werd in september 1939 bezet door de Sovjet-Unie, als voortvloeisel uit het beruchte Molotow-Von Ribbentrop verdrag tussen Hitler en Stalin. Bij de inval van Duitsland in de Sovjet-Unie in juni 1941 werd het gebied veroverd door Duitsland. De stad Bialystok en omgeving werd geannexeerd als deel van de nieuwe Duitse provincie West-Pruisen. De rest van het gebied werd verdeeld in twee bezette gebieden, Ostland en Oekraïne. De bezette delen van de Sovjet-Unie, waaronder Oost-Polen, werden het werkterrein van de Einsatzgruppen, die anderhalf miljoen Joden met kogels vermoordden aan de rand van massagraven (Holocaust by bullets).

Vervolgens bezoek aan de stad Auschwitz. Bezoek Marktplein en stadhuis (stadsontwerp Duitse Nazi-architect Stosberg). Auschwitz was een in meerderheid Joodse stad, die snel moest worden ‘geariseerd’ en tot bloei gebracht. Wij bezoeken te voet (vlakbij) de plaquette voor de gedeporteerde Joden van Oswiecim zelf. We passeren daarbij de Dominicanerkerk. In de verte het kasteel van Oswiecim bij de brug over de Sola.

Toelichting 4. De stad Oswiecim (Duits: Auschwitz)

Auschwitz werd in 1270 gesticht door Duitse kolonisten en leden van de Duitse Orde, een Kruisvaardersorde. Van 1316 tot 1327 was het een zelfstandig Hertogdom Auschwitz. Het kasteel aan de Sola herinnert hieraan. In 1327 kwam het bij het Heilige Roomse Rijk en viel het onder het bestuur van de keizer van Wenen. De Duitse boerenbevolking vertrok in de volgende eeuwen van pest, hongersnood en oorlog en werd vervangen door Polen. In 1566 werd het sterk verarmde Auschwitz een deel van het machtige koninkrijk Polen-Litouwen en kreeg het de naam Oswiecim. Het Poolse Rijk ging te gronde in de achttiende eeuw, toen het land in drie achtereenvolgende delingen werd opgeslokt door de buurstaten Rusland, Pruisen en Oostenrijk. Bij de Eerste Poolse Deling van 1771 kwam Oswiecim bij Oostenrijk, waar het werd ingedeeld bij de Poolstalige provincie Galicië. De rest van Silezië ging deel uitmaken van Pruisen.

Pruisisch Silezïe ontwikkelde zich tot een welvarend industrie- en mijngebied. Oostenrijks Galicië verarmde. Oswiecim was hierop een relatieve uitzondering. Er groeide een kleinschalige agrarische industrie, vooral alcoholdestilleerderijen. Maar de voornaamste bron van inkomsten was het feit dat het aan de grens lag van het welvarende Duitse Silezië. Honderdduizenden illegale (Joodse) emigranten en eveneens deels illegale seizoensarbeiders uit Galicië probeerden hier vanuit Galicië binnen te komen in Duits Silezië. Oswiecim werd een centrum van smokkelarij, criminaliteit en mensenhandel. De Oostenrijkse regering bouwde een complex van stenen en houten barakken, enerzijds om de vele illegale emigranten tijdelijk te kunnen opvangen, anderzijds als een post van de militaire politie om een beetje vat te krijgen op alle illegale activiteiten in het stadje. Dat was het begin van wat later het concentratiekamp werd.

Na 1918 kwam Oswiecim bij het herrezen Polen. De genoemde barakken werden toen gebruikt als kazerne van het Poolse leger en voor de opvang van etnisch Poolse vluchtelingen die weg wilden uit het district Teschen, dat door de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog was ingedeeld bij Tsjecho-Slowakije.

Oswiecim was in 1939, toen de Duitsers het annexeerden bij het Reich, een stad met 13.000 inwoners, van wie      65 % Joden. De stad was bestemd om een ‘nieuwe Duitse modelstad’ te worden. De stad en haar centrum werd bouwkundig geheel vernieuwd door nazi-architecten (onder meer Hans Stosberg, die het marktplein moderniseerde). De Joden die in Auschwitz woonden, in het gebied tussen de rivier de Sola, het kasteel, de Dominicanerkerk en het Marktplein, werden in maart-april 1941 gedeporteerd naar getto’s in de Silezische steden Bendzin en Sosnowiece. Vanuit de getto’s werden in 1941-42 de arbeidsgeschikte mannen en vrouwen ingezet voor dwangarbeid in de Joodse werkkampen van Organisation Schmelt, waar we later uitvoerig op terugkomen. De niet-arbeidsgeschikten werden in 1942 en 1943 ‘teruggebracht naar hun woonplaats’, naar de gaskamers van Auschwitz. Een zeer indrukwekkende beschrijving vindt men in: Mary Fulbrook, Een kleine stad bij Auschwitz.

De eerste vestigingen van Volksduitsers geschiedde in Joodse woningen. Er vonden nieuwbouwprojecten plaats; de stad groeide in korte tijd tot 45.000 inwoners, vaak Duitsers afkomstig uit ‘Oostgebieden’ (onder anderen de Baltische staten, Wit-Rusland en Oekraïne, Heim ins Reich). Er werd begonnen met de bouw van een groot chemisch concern IG Farben. Tevens ontstond een modern grootschalig landbouwgebied ten westen van de stad. Poolse boeren werden uit hun boerderijen verdreven om plaats te maken voor Duitsers.

Per bus naar Station Dwory. Hier, en op het afgebroken stationnetje Kruki, kwamen Joodse en niet-Joodse dwangarbeiders voor IG Farben aan vanuit het kamp Auschwitz.

Op weg naar Dwory en terug rijden we door het grote industriegebied van IG Farben. Hier zijn barakken, garages en kampomheining te zien van het terrein, die nog uit de oorlog zijn. Doel van dit grote industriecomplex (dezelfde afmeting als het DSM-complex): de productie van buna en olieproductie door hydrogenisatie van steenkool. Er was ook een grote elektriciteitscentrale en een gasfabriek. Ook werd er springstof gemaakt voor wapens in de Union Munition Works, waar vooral Joodse vrouwen werkten. (Zij wisten in 1944 een hoeveelheid springstof naar het kamp te smokkelen, waarmee op 7 oktober 1944 één van de gaskamers werd opgeblazen). Bij de bevrijding waren de installaties voor buna en olie nog niet klaar, zodat er nooit een druppel synthetische olie of een gram rubber is geproduceerd. Het project had 700 miljoen RM gekost en vele, vele doden.

Toelichting 5. IG Farben.

IG Farben was een farmaceutisch-chemisch industrie-kartel, in 1925 gevormd door fusie van Bayer (groot geworden door patent op aspirine in de periode van de Spaanse Griep op het einde van de Eerste Wereldoorlog), chemiebedrijf BASF (waar de hydrogenisatie van steenkool reeds werd toegepast), Agfa, Hoechst en een aantal kleinere bedrijven. In de bedrijven van IG Farben werd langs chemische weg steenkool gebonden aan waterstof (hydrogeniseren) en op deze manier synthetische oliën en rubber (buna) gemaakt. Het industriekartel ging intensief samenwerken met de nazi’s met het doel Duitsland onafhankelijk te maken van import van overzeese grondstoffen. IG Farben deed grote donaties aan de NSDAP. Joodse medewerkers werden al in een vroeg stadium ontslagen (o.a. chemicus Haber, die de stikstofbinding had ontwikkeld voor het bedrijf). IG Farben had meerdere grote vestigingen in Duitsland en in het zuidelijk deel van het industriegebied Blechhammer (Wij komen donderdag in het noordelijk deel van Blechhammer). Het kartel verwierf ook voor een spotprijs Joodse bedrijven in Oostenrijk na de Anschluss en in bezette landen. De verwerving van chemische bedrijven in Polen was een gunst in ruil voor de belofte dat IG Farben een sleutelrol zou spelen in de economische ontwikkeling van de te verduitsen Poolse gebieden. IG Farben was ook de producent van Zyklon B, blauwzuur, aanvankelijk voor desinfectie van kleding.

Waarom was Oswiecim geschikt voor IG Farben?

Er bestond in het Reich grote behoefte aan uit steenkool geproduceerde kunstmatige rubber (buna) en motorbrandstoffen (hydrogenisatie van steenkool).

Rond Auschwitz waren alle gunstige infrastructurele voorwaarden aanwezig:

  • Steenkoolmijnen
  • Zoutmijnen (zout was nodig voor de productie van kunstmatige rubber (butadieen-natrium of buna)
  • Kalkafgravingen (kalk was nodig voor het hydrogenisatieproces)
  • Twee rivieren (Wisla en Sola) als koelwater voor elektriciteitscentrales
  • Ligging aan belangrijke spoorlijnen
  • Er was een groot vlak terrein, geschikt voor vestiging van fabrieken
  • Aanwezigheid van duizenden woningen van verdreven Joden voor huisvesting van de eerste arbeiders
  • Aanwezigheid van het reeds bestaand concentratiekamp voor goedkope arbeid.
  • Auschwitz lag ver naar het oosten en was daardoor moeilijker te bereiken voor geallieerde bommen

De eerste dwangarbeiders in het bedrijf waren Poolse politieke gevangenen en krijgsgevangenenuit Rusland en andere landen.

De bouw van Joodse uitroeiingsinstallaties (1942) vond pas plaats NA de start van de bouw der BUNA-fabrieken van IG Farben (1940-41).

Bedrijven van IG Farben werden opgezet als symbiose tussen de SS, die goedkope arbeid leverde, en IG Farben. De SS ontving van het bedrijf 3 RM per dwangarbeider per dag. Vanaf najaar 1942 gebruikte IG Farben een eigen subkamp van Auschwitz (Monowitz) in de directe omgeving van de fabrieken om de reistijd voor de dwangarbeiders te bekorten.

Rol IG Farben bij de Holocaust

  • Wreedheid door medewerkers van IG Farben op de bouwplaatsen deed niet onder voor de gedragingen van de SS in Auschwitz en Birkenau
  • Invloed op en deelname aan de selecties op het perron van Birkenau, waarbij IG Farben zorgde voor geschikte dwangarbeiders.
  • Levering van Zyklon B, ook toen duidelijk werd waarvoor dit insecticide werd gebruikt.
  • Sponsoring medische experimenten in Auschwitz voor de farmaceutische bedrijven.

Na de oorlog in Neurenberghet proces tegen IG Farben. Zeer milde straffen voor de topmensen van IG Farben, in het licht van hun belang voor de wapenproductie tijdens de Koude Oorlog.

Om het industrieterrein heen lagen een tiental kampen voor buitenlandse contractarbeiders en dwangarbeiders, waarvan het grootste, Lager IV = Monowitz = Auschwitz III = Buna voor Joden was bestemd. Wij brengen een bezoek aan de plaats waar dit kamp heeft gelegen. Daar zijn een aantal overblijfselen van het kamp, waaronder de ruïne van een toiletgebouw (latrines).

Toelichting 6. Monowitz.

22.000 gevangenen zaten van 1942 tot 1945 in Monowitz (= Auschwitz III) opgesloten. Van hen overleden er bijna 2000 in het kamp en werden meer dan 10.000 arbeidsongeschikten naar Auschwitz of Birkenau gebracht, merendeels naar de gaskamer. Tekorten werden steeds weer aangevuld vanuit selecties in Birkenau. Op een en hetzelfde moment (begin januari 1945) zaten er ruim 10.000 gevangenen, allen mannen. Toen het kamp in oktober 1942 werd geopend, waren de meeste gevangenen Poolse tegenstanders van het nazi-regime. Enkele honderden Duitse criminele gevangenen werkten er als zeer wrede Kapo’s (prominente leidinggevende gevangenen). Zij bleven in functie, toen vanaf begin 1943 meer dan 90 procent van de gevangenen Joods was. Allen werkten aan de bouw van IG Farben en werden op het werk aangestuurd en bewaakt door personeel van IG Farben en de werkmeesters van de ingehuurde bouwbedrijven, samen met SS-ers. Daarbij vonden wreedheden plaats die niet onderdeden voor wat de SS aanrichtte in Auschwitz I en II.

Monowitz werd in 1944 het ‘moederkamp’ (administratieve centrum) voor veel Nebenlager van Auschwitz (Warschau, Fürstengube en andere kolenmijnen, Blechhammer). In die tijd waren tienduizenden gevangenen ‘administratief’ gevangenen van Monowitz, ofschoon zij verbleven op een andere plaats.

Op 18 januari 1945 werd het kamp geëvacueerd. 800 zwaar-zieke gevangenen (onder wie Primo Levi) bleven achter. Zij werden aan hun lot overgelaten. Van hen overleden nog 300 mensen vóór de komst van de Russen of vlak daarna. Het is zeer de moeite waard om het boek van Primo Levi, ‘Is dit een mens?’ te lezen over de toestand in Monowitz).

Wij bezoeken het huidige dorp Monowice. Het ligt ongeveer op het terrein van Monowitz kamp. Er staat een monument waarop geen melding wordt gemaakt van Joodse gevangenen. Schuurtjes van dorpsbewoners zijn vaak voormalige kampbarakken. Tegenover het monument een boerderij, die de verbouwde kampkantine is van de SS. Een stuk verderop een grote bunker als schuilplaats voor SS’ers en personeel van IG Farben bij geallieerde bombardementen. Achter het monument door de struiken op een akkertje ligt een bunkertje uit 1944 met inscripties uit de kamptijd. Als we het straatje van Monowice aflopen zijn nog resten te zien van de kampomheining. Daar is ook een ruïne van kamplatrines.

Wij rijden vervolgens naar de Joodse begraafplaats in Zator.

Toelichting 7. Begraafplaats Zator.

Hier liggen in een massagraf de slachtoffers van het Joodse werkkamp Spytkowitz begraven. Dit is een ‘zijsprong’ tijdens deze rondrit, die eigenlijk zou behoren bij rondrit door Cosel en omgeving, maar vanwege de geografie vandaag wordt gedaan. Spytkowitz was één van de meest beruchte kampen van de Organisation Schmelt, waarover later meer. Er waren relatief veel Limburgers onder de 450 Joodse gevangenen. Het kamp is slechts enkele maanden in gebruik gebleven (15 okt 1942 – 16 jan 1943). De meerderheid van de gevangenen bezweek in die tijd, waaronder bewezen minstens 8 Limburgers uit het transport van 28 augustus 1942. Velen werden begraven op de Joodse begraafplaats Zator. Anderen werden ziek afgevoerd naar de gaskamer in Birkenau.

Vervolgens maken we een rondrit door het landbouwgebied bij de Sola: Onderweg passeren we de kampen Auschwitz I en Birkenau, die beide zijn gebouwd midden in dit landbouwgebied. Wij bezoeken nog bestaande tuinbouwkassen van de SS bij Rajsko. Wij komen door het dorp Harmeze (Harmensee) met voormalige viskweekvijvers en het dorp Brzezinka (Birkenau).

Toelichting 8. Landbouw rond Auschwitz.

Zowel Himmler als Höss hadden een opleiding als landbouwkundige. Ook agrarische ontwikkeling en voedselproductie voor het front en voor Duitse steden behoorden bij de doelstellingen van het Auschwitz-complex. De bedrijven hadden het karakter van een landbouw-proefstation, ter ondersteuning van de Duitse boeren die zich hier zouden vestigen. De voorraden geproduceerd voedsel werden door Joodse kampbewoners van Birkenau verpakt en verzendklaar gemaakt in de Kartoffelbarakken op station Auschwitz . We bezoeken die tijdens de laatste excursiedag. In het vruchtbare landbouwgebied tussen de Sola en de Wisla bevonden zich de beide kampen Auschwitz I en Birkenau en nog 7 kampen voor dwangarbeid meestal in de landbouw in de dorpen Rajsko, Harmeze, Budy en Plawy.

In Rajsko werd in kassen tuinbouw bedreven. Er werden groenten verbouwd, maar ook werd er geëxperimenteerd met de kweek van een speciaal ras paardenbloem, de taraxacum coc-saghiz. Uit het sap van deze plant werd een product gewonnen waarmee de buna (kunstrubber) sterker en meer slijtvast kon worden gemaakt.

In Harmeze (Harmensee) werden door Joodse vrouwen grote visvijvers uitgegraven voor de teelt van consumptievis.

Tweede excursiedag. Auschwitz I

Programma. Vanuit hotel in Katowice naar (Museum) Auschwitz I. Daar in de ochtend uitleg en rondleiding buiten het kamp door Herman van Rens. In namiddag bezoek Museum Auschwitz (I). Hierbij zijn we verplicht een gids te nemen, die uitleg van Herman soms zal aanvullen.

Toelichting 8. Het concentratiekamp Auschwitz I.

Auschwitz was aanvankelijk een ‘gewoon’ concentratiekamp van het ‘type Dachau’.

Het Stammlager Auschwitz (I) besloeg 6 hectare; het was gevestigd in oude Oostenrijks-Hongaarse kazernegebouwen. In 1940 werd het ingericht als kamp voor Poolse politieke gevangenen (16.000 mensen, grotendeels gearresteerd omdat zij een gevaar werden geacht door hun verzet tegen de verduitsing van Silezië), en vanaf najaar 1941 voor 10.000 Russische krijgsgevangenen. Vanaf april 1942 kreeg het ook een rol in de vernietiging van Joden, maar behield daarnaast zijn functie van gewoon concentratiekamp. Van 1940 tot augustus 1942 was Auschwitz in principe dus niet specifiek bedoeld voor Joden. Er zaten echter wel Joodse gevangenen die afkomstig waren uit Opper-Silezië, en die een van de vele anti-Joodse maatregelen niet nauwkeurig hadden nageleefd. Tot 16 augustus 1942 werden ook alle Joodse vrouwen opgesloten in Auschwitz I, omdat in Birkenau het Frauenlager nog niet gereed was (N.B. ook de katholieke Joodse vrouwen uit Nederland die op 6 augustus werden gedeporteerd, het transport waartoe ook Edith Stein behoorde. Edith was nooit in het kamp omdat zij na aankomst meteen werd vergast). Ook was in Block 10 het ‘experimentenblock’, waar medische experimenten werden uitgevoerd op vooral Joodse vrouwen. Op 16 augustus was het Frauenlager van Birkenau klaar en gingen alle Joodse vrouwen over naar Birkenau (waar de meesten van hen op 1 oktober werden vergast).

In Auschwitz I zaten in totaal door de jaren heen 170.000 niet-joden en enkele tienduizenden Joden gevangen .

Buiten het kamp bezoeken we:

Industriehof. Rond de parkeerplaats van het huidige museum. Hier waren werkplaatsen voor gevangenen. Er bevond zich de Kohlenplatz voor opslag van kolen. Het restaurant ‘del Papa’ staat op de plek van de fabriek waar kamppalen werden gemaakt. In het straatje rechts diverse fabrieksgebouwen en het gebouw van de centrale verwarming van Auschwitz. Een kilometer verderop de vestiging van Krupp (het gebouw met de vele spitse dakjes achter elkaar). Tegenover het restaurant op de parkeerplaats een Kanadabarak uit de eerste periode van het kamp (tot begin 1943).

Toelichting 9. Industriehof en Kanadabarak.

Behalve in de landbouw werkten Joodse mannen en in mindere mate vrouwen in bedrijven die zich rondom Auschwitz, op de zogenoemde Industriehof, hadden gevestigd. Hier waren vooral twee bedrijven van de SS actief.

De SS Zentrale Bauleitung liet bouwprojecten uitvoeren in het concentratiekamp en in de stad Auschwitz. De meeste arbeiders waren vrije Poolse bouwvakkers. Gevangenen werkten vooral bij de Deutsche Aufrüstungswerke (DAW), een gigantisch bedrijf met werkplaatsen op vijftien locaties, vooral bij concentratiekampen. In 1940 was DAW gesticht als SS-bedrijf om dwangarbeid van gevangenen economisch rendabel te kunnen maken. De onderneming groeide uit tot 18.000 dwangarbeiders en een jaaromzet van 23,2 miljoen Reichsmark. De vestiging op de Industriehof bij Auschwitz dateert van maart 1941 en groeide snel. In 1944 werkten er 4.000, vooral Joodse, gevangenen. Deze produceerden in hun werkplaatsen houten bouwmaterialen, ramen, deuren en meubels, die meestal weer werden afgenomen door de SS Zentrale Bauleitung. Later vestigde DAW bij Auschwitz ook mechanicabedrijven, een productiebedrijf voor houtskool, een reparatiewerkplaats voor militaire voertuigen, een fabriek voor de productie van vliegtuigonderdelen en textielbedrijven met vooral vrouwelijke werknemers. Ook werden in de werkplaatsen van DAW onderdelen vervaardigd voor de bouw van de crematoria van Birkenau. In de laatste fase van de oorlog nam men ook opdrachten aan van andere ondernemingen. Tussen de directies van DAW en de Zentrale Bauleitung ontstonden verschillen van mening over de vraag welke van beide organisaties de regie mocht hebben bij de inzet van dwangarbeid. Geleidelijk nam de macht en de invloed van DAW toe en die van de Bauleitung af. De directie van DAW kreeg dan ook het initiatief bij de bouwwerkzaamheden en hield toezicht op de bouwprojecten.

Op de Industriehof stond ook een vestiging van Krupp staalfabriek. Verder een fabriek voor productie van o.a. kamppalen en prikkeldraad. Ook was hier het gebouw van de centrale verwarming (sommige SS-verblijven en bedrijfsgebouwen waren centraal verwarmd!). Er bevond zich de Kohlenplatz voor opslag van kolen. Tevens waren er onderkomens voor de SS en een theater waar hoogwaardige muziek-, toneel- en cabaretvoorstellingen werden uitgevoerd.

Kanada-barakken”. Het Kanada-kommando bestond uit gevangenen die assisteerden bij de selecties op het station van Birkenau en vervolgens geroofde goederen van gevangenen sorteerden en verpakten. (Canada was in de ogen van Polen en Duitsers een mythisch rijk land). In de nog bestaande Kanadabarak werden de goederen opgeslagen. Het Kommando werd in 1943 verplaats naar Birkenau (daar brengen we een bezoek aan de nieuwe Kanada-vestiging) en het Kommando kreeg daar ook de taak de Joden te begeleiden naar de gaskamers.

Bij het verlaten van de parkeerplaats naar links en vervolgens weer naar links vinden we de Polakkenrampe, het perron aan het spoor via welk gevangenen aankwamen en later arbeiders (Joden en niet-Joden) vertrokken naar IG Farben, om vervolgens uit te stappen in Dwory of Kruki. Ook werden hier goederen voor de bedrijven af- en aangevoerd. Er zijn twee spoorbanen, waarvan de meest westelijke doodlopend is bij een goederenloods.

Toelichting 10. Drie perrons in Auschwitz:

  • Polakkenrampe bij Auschwitz I, waar gevangenen aankwamen tot medio 1942, merendeels Polen en Russen, maar ook de eerste (Slowaakse en Silezische) Joden. Tevens opstapplaats voor arbeiders van IG Farben, in de richting van Dwory of Kruki. Ook goederen van en voor Auschwitz werden hier gelost en geladen.
  • De alte Judenrampe buiten Birkenau, waar transporten met Joden arriveerden vanaf medio 1942 tot mei 1944
  • De (neue) Judenrampe binnen Birkenau, gebruikt vanaf mei 1944

 

Aan de spoorlijn met de Polakkenrampe liggen vijf grote gebouwen: het hoofdkwartier van de SS, het verblijf van de officieren, het verblijf (kazerne) van de SS-manschappen, het theater waar hoogwaardige toneel- en cabaretvoorstellingen werden uitgevoerd en een pakhuis. In de beide eerste gebouwen is nu de middelbare school van Oswiecim gevestigd. In het verblijf van de officieren is een kleine expositie over de geschiedenis van de gebouwen ten behoeve van de scholieren.

We steken de grote weg over in de richting van het kamp Auschwitz I. We laten het kamp aan de rechterzijde liggen en lopen door tot aan de rivier de Sola. Als we de hoek van het kamp bereiken,tegenover de Sola, staan we voor de villa van Höss. Het huis van kampcommandant Rudolph Höss is nu een privé-woning. Höss had huispersoneel uit het kamp, vooral betrouwbaar geachte Getuigen van Jehovah.

De villa van Höss maakt deel uit van de ‘Schutzhaftlagererweiterung’, een deel van het kampterrein waar personeel van het concentratiekamp woonde. Ook is er het voormalig schoolgebouw voor kinderen van SS, links van de weg langs de Sola.

Teruglopend richting kamp passeren we de woonwijk Pilecki, onderdeel van de ‘Schutzhaftlagererweiterung’.

De lunch gebruiken we in restaurant ‘del Papa’, dat staat op de plek van de fabriek waar kamppalen werden gemaakt.

Wij gaan na de lunch het terrein van Museum Auschwitz binnen. Dit is het moeilijkste deel van de reis omdat het daar stampvol mensen kan zijn en gidsen soms niet doen wat wij willen.

Toelichting 11. Museum Auschwitz.

In 1947 gesticht als museum met informatie over zowel Auschwitz I als Birkenau. De tentoonstellingen over beide kampen lopen door elkaar en worden ook in de toelichting niet goed onderscheiden. Traditioneel lag het accent zeer zwaar op de 70.000 Poolse niet-joodse slachtoffers (de ‘politieken’) van Auschwitz I. Joden werden zelfs vaak niet eens vermeld als zodanig. In communistisch Polen bestond veel antisemitisme; na de Zesdaagse Oorlog van 1967 werden Joden zelfs weer in negatieve zin bestempeld onder de naam ‘Zionisten’ en beschouwd als Vijfde Kolonne van het imperialisme. Na 1968 zijn Joden uit Polen vrijwel allemaal geëmigreerd en toen was er geen reden meer aandacht aan hen te schenken in Museum Auschwitz. Pas na 1990 werden Joden weer vermeld als belangrijkste slachtoffergroep. Er kwam een toenemend aantal paviljoens dat aan de Holocaust is gewijd. Men moet zich echter realiseren dat de daar getoonde voorwerpen, foto’s en video’s grotendeels betrekking hebben op Birkenau.

Wij zien bij het binnengaan van het museumterrein een aantal belangrijke gebouwen, die in de oorlog lagen buiten de afrastering van het concentratiekamp:

Administratiekantoren SS en plek waar de gevangenen werden ingeschreven, waar nu receptie is van het museum. Tussen het administratiekantoor en de poort van het kamp (Arbeit macht frei) bevond zich in een voormalige grindgroeve de oudste executieplaats van gestrafte gevangenen.

Kantoren van Gestapo, SS en kampcommandant. Drie grote gebouwen in de genoemde volgorde tussen de hoek van het kamp en villa Höss (die is gelegen buiten de begrenzing van het huidige museumterrein). U kunt ze zien vanuit het kamp.

De oudste gaskamer (Krematorium 1), gelegen buiten het kamp, naast de drie bovenvermelde gebouwen. Het gebouw is in eerste instantie gebruikt als crematorium voor de mensen die in het kamp overleden. De lijkenkamer werd later gebruikt als executieruimte en nog weer later als gaskamer. Hier zijn 10.000 mensen vergast, vooral Russische krijgsgevangenen, maar ook de eerste Joden uit Silezië. De gaskamer van Krematorium 1 is geheel in tact, en kan (in stilte) worden bezocht. Er bevinden zich crematoriumovens van firma Topf en Zn. uit Erfurt. De gaskamer was in gebruik tot begin 1943.

Binnen het terrein van het concentratiekamp zelf:

Boven de poort de beruchte spreuk ‘Arbeit macht frei’. Deze is bedacht door Höss, en werd aangebracht zowel boven de poort van Dachau als boven die van Auschwitz I, Monowitz en Gross-Rosen. Dit was ook de plaats waar twee keer per dag het Joodse kamporkest vrolijke muziek speelde, een activiteit die orkestleden soms het leven redde.

De barakken 1, 2, 3, 12, 13, 14, 22, 23, 24, het deel van het kamp dat zich bevindt links van de toegangspoort (zie het bijgeleverde kaartje), vormen het oudste deel van het kamp, de voormalige Poolse kazerne. Dit was ook het kamp voor Russische krijgsgevangenen. Deze werden niet als krijgsgevangenen erkend en uitzonderlijk slecht behandeld waardoor zij vrijwel allen overleden. Deze barakken werden in de tijd van het concentratiekamp uitgebreid met een tweede verdieping.

Barak 24 was het kampbordeel voor bevoorrechte gevangenen (Kapo’s). De meisjes die er werkten waren voornamelijk Poolse gevangenen.

Plaats opslag Zyklon B, tijdelijk in gebruik geweest als Karmelklooster, naast blok 21.

Appèlplatz en naastgelegen kampkeuken.

De barakken (‘Blocks’) 10, 18, 19, 20, 21 hadden een ‘medische’ functie (experimenten en ziekenbarakken). In Block 10 werden, op bevel van de beruchte arts Dr. Clauberg, medische experimenten uitgevoerd op vrouwen, vooral sterilisaties. Hier hebben diverse Limburgse vrouwen geleden en gewerkt (Schwester Marie, Marie Hertzdahl-Blumgarten uit Maastricht).

Blok 11 en de naastgelegen dodenmuur. Dit is de plek waar de communistische leiders steeds hun buitenlandse gasten mee naar toe namen. Hier werden Poolse politieke gevangenen gemarteld en in de eerste periode van het kamp, geëxecuteerd. Het was ook een buitenvestiging van de SS-rechtbank van Katowice, bestemd voor buiten het kamp gearresteerde Polen. De rechtbank had gemiddeld twee minuten nodig om een doodvonnis uit te spreken. De mensen werden dan tegen de Dodenmuur geëxecuteerd. Tevens is het de plek waar de heiligverklaarde pater Maksimilian Kolbe werd gemarteld en vermoord. Hij had zich vrijwillig aangemeld als plaatsvervanger van een vader van vijf kinderen die zou worden geëxecuteerd als represaille voor de ontsnapping van een medegevangene. Nu is daar een klein katholiek pelgrimsoord.

De kelder van blok 11 was de plaats waar voor het eerste in Auschwitz met Zyklon B mensen werden vergast (medio 1941). Het betrof een groep zieke gevangenen, en de vergassing werd betiteld als ‘euthanasie’.

Toelichting 12. Acht vergassingsplaatsen in Auschwitz:

  • De kelder van blok 11 in Auschwitz I: medio 1941, experimenten met zieken
  • Krematorium I in Auschwitz I: gaskamer annex crematorium, Russische krijgsgevangenen en een aantal Joden, eind 1941 tot 1943.
  • Das rote Haus en das weiβe Haus (of: Bunker I en II), in verbouwde boerderijen gelegen achter kamp Birkenau: alleen gaskamers. De lichamen werden begraven en later verbrand in de open lucht. 1942 tot eind 1943, en daarna weer opnieuw in mei tot augustus 1944.
  • 4 crematoria: Krematorium II, III, IV en V: gaskamers annex crematorium gelegen binnen kamp Birkenau, vanaf medio 1943 tot november 1944.

Dat waren de gegevens voor zover zij betrekking hebben op het voormalige kamp. De barakken zijn tegenwoordig ingericht als tentoonstellingsruimte. Het is ondoenlijk alle te bezoeken. Ieder maakt zijn eigen keus:

Blok 4 en 5 bezoeken we samen. Ze bevatten een permanente tentoonstelling gewijd aan de Holocaust. Hier bevinden zich de indrukwekkende massa haren, schoenen, koffers, protheses e.d., die na de bevrijding werden aangetroffen in de Kanadabarakken van Birkenau.

Blok 6 en 7, tentoonstelling gewijd aan het kampleven in Auschwitz I. Zwaar accent op Poolse politieke gevangenen

Blok 13, gewijd aan vervolging van de ‘zigeuners’.

Bloks 15 tot 21 huisvesten exposities, ingericht door diverse landen. Blok 21 is Nederland.

Blok 27 een wisselende thematische expositie over de Holocaust door Yad Vashem.

Derde excursiedag. Krakau.

Het programma Krakau heeft een tweeledige functie: De ochtend is gewijd aan het lot van de 3,3 miljoen Poolse Joden, en als ‘pars pro toto’ het lot van de Joden van de stad Krakau. In de namiddag hebt u vrij en kunt u de prachtige stad Krakau bezoeken.

Ofschoon er in Krakau, dat een grote Joodse gemeenschap had, nauwelijks Joden zijn overgebleven, is er wel een omvangrijk Joods erfgoed bewaard. Wij maken een tocht door Joods  Krakau, waarbij wij het Joodse erfgoed zullen bezoeken, en daarna de plaatsen die een rol hebben gespeeld in de Holocaust. Eerst brengen we een bezoek aan de Joodse wijk Kazimierz en de Kup-synagoge. Wij bezoeken de restanten van de gettomuur, het plein Zgoda waarvandaan de meeste Joden naar het vernietigingskamp Belzec werden gedeporteerd (met het indrukwekkende ‘monument met de stoelen’). Tenslotte rijden we om het Joodse doorgangs- en concentratiekamp Plaszow.

Toelichting 13. De Joden van Polen

In het vooroorlogse Polen woonden 3.3 miljoen Joden. Nadat zowel Nazi-Duitsland als Stalin het land waren binnengevallen in september 1939 was Polen verdeeld in drie stukken:

a. Het westelijke deel (Oost-Pruisen, Posen = de Warthegau en Opper-Silezië), met de steden Lodz en Gliwice, werd geannexeerd door Duitsland als een integraal deel van Duitsland. Hier woonden 800.000 Joden. Van hen werden ongeveer 150.000 vermoord met koolmonoxide in de mobiele gaskamers (vrachtwagens met de uitlaat naar de laadbak) in Kulmhof (Chelmno). Ongeveer 400.000 Joden uit Posen werden uitgezet naar het middendeel van Polen, het Gouvernement-Generaal. Zij ondergingen hetzelfde lot als de daar wonende Joden. 150.000 bleven er als arbeidsjoden achter in de getto’s van West-Polen, waarvan Lodz het belangrijkste was. Zij werden na oktober 1943 vermoord in Auschwitz. De 100.000 Joden van Opper-Silezië werden als slaven ingezet in de kampen van Organisation Schmelt of in 1942 en 1943 gedeporteerd naar en vermoord in Auschwitz. In dit geannexeerde deel van Polen ligt ook Auschwitz.

b. Het middelste deel, met 2 miljoen Joden, werd met de steden Warschau, Radom, Lublin en Krakau, bezet gebied onder de naam van Gouvernement-Generaal. De Joodse bevolking nam toe door uitgewezen Joden uit West-Polen en uit Duitsland zelf. Van deze zeer grote groep Joden overleden ongeveer 500.000 aan de ontberingen in de ruim 50 getto’s waarin ze werden geconcentreerd. 1.4 miljoen werd vermoord bij de Operation Reinhard in de kampen Belzec, Sobibor en Treblinka. De groep die na sluiten van die vernietigingskampen nog in leven was in diverse Joodse werkkampen (ongeveer 50.000) werd op 2 en 3 november 1943 in het kamp Majdanek bij Lublin en op andere plaatsten gefusilleerd tijdens een operatie die de codenaam Erntefest kreeg..

c. Het oostelijk deel van Polen, met de steden Bialystok, Vilnius=Wilna en Lvov=Lviv, werd in september 1939 bezet door de Sovjet-Unie. In juni 1941 werd het gebied veroverd door Duitsland. De 600.000 Joden werden merendeels slachtoffer van de Einsatzgruppen, evenals in de rest van het op de Sovjets veroverde territorium. De 100.000 die nog in leven waren in de getto’s na oktober 1943, en ook de Joden van de later door Duitsland geannexeerde stad Bialystok, werden naar Auschwitz gedeporteerd.

Toelichting 14. De stad Krakau

Krakau was eeuwenlang de hoofdstad van het Koninkrijk Polen. De stad kwam bij de Derde Poolse Deling (1795) aan Oostenrijk, maar werd in 1809 door Napoleon veroverd en bij het door hem ingestelde Hertogdom Warschau gevoegd. Dit hertogdom werd na de val van Napoleon ontmanteld en op het Congres van Wenen aan Rusland (Congres-Polen) en Pruisen (Posen) toegekend. Aangezien men het over Krakau niet eens werd, verklaarde men deze stad en de omliggende gebieden tot vrije, onafhankelijke en strikt neutrale stad. Deze ‘Republiek Krakau werd in 1846 weer door Oostenrijk geannexeerd. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de stad in het herrezen Polen te liggen. Imposant is de Koninklijke burcht, het Wawel kasteel annex de kathedraal, in het zuiden van het centrum van de stad. Op de markt zijn vele cafés en restaurants van goede kwaliteit, in het najaar niet al te druk. De mensen zijn charmant, rustig en vriendelijk.

Toelichting 15. Joods Krakau

Het is erg de moeite waard om de Joodse wijk ten zuid-oosten van het centrum van de stad, Kazimierz, te bezoeken, met haar nauwe straatjes, de Joodse namen op de winkelpanden, haar drie grote synagogen en de grote Joodse begraafplaats. Dat alles ligt vlak bij elkaar aan weerszijden van de grote straat Starawislna. In 1939 woonden er 68.000 Joden in Krakau (een kwart van de bevolking).

Krakau was tijdens de Duitse bezetting één van de vijf provinciehoofdsteden van het Gouvernement-Generaal (met Warschau, Lublin, Radom en Lvov) dat onder het gezag stond van Hanns Frank. De stad was bestemd de hoofdstad te worden van Polen onder nazi-bestuur. Daarom werden de Joden sneller dan elders verwijderd uit de stad. In eerste instantie gebeurde dat door hen te verdrijven naar het omringende platteland. Er bleef echter een restgroep van 15000 mensen over in de stad. Deze werden in maart 1941 gedwongen te verhuizen naar een getto, dat was gelegen aan de rand van de stad. Later kwamen bij de 15000 Joden uit Krakau nog duizenden uit steden en dorpen uit de omgeving in hetzelfde getto terecht, zodat de gettobevolking opliep tot boven de 20.000.

Wij wijzen er op dat de gettoïsering van de Joden in Polen niet overal op dezelfde manier gebeurde. Ook de doelstelling van gettoïsering verschilde per plaats, en veranderde met de tijd. In het begin werden Joden samengedreven in delen van de stad, met het doel huizen vrij te maken voor nieuwe Duitse bewoners. Na verloop van tijd werd het doel om de Duitse en Poolse wijken ‘judenrein’ te maken. In de laatste fase werd om de Joodse wijken een muur of afrastering gemaakt, waardoor Joden gemakkelijker konden worden opgepakt om ze te vervoeren naar de vernietigingskampen.

Rond de grote steden Warschau, Radom en Lodz werden de meeste Joden van het omringende platteland verzameld in massale getto’s in de grote steden. Het getto van Warschau had 500.000 inwoners, dat van Lodz meer dan 200.000. In andere provincies (Krakau, Lublin) werden de Joden uit de hoofdsteden juist verjaagd naar een hele waaier van kleinere getto’s in de omgeving, die meestal waren gelegen aan spoorwegen. In de steden Krakau en Lublin zelf bleef slechts een minderheid van de Joden over in het stadsgetto. Dat gaan we in Krakau bezoeken.

Het getto had aanvankelijk een oppervlakte van 80 hectare. De Joden werden er samengepropt in 320 huizenblokken. Op 20 maart 1941 werd het getto afgesloten van de rest van de stad. De gettomuur werd gebouwd in de vorm van Joodse grafstenen. Er waren drie zwaarbewaakte toegangspoorten met daarop een Davidsster en in Hebreeuwse letters ‘Joods District’. Het getto werd bestuurd door een Joodse raad en de orde werd er gehandhaafd door eigen Joodse politie. Er werden eigen postzegels gedrukt met Hebreeuwse opschriften. Joodse arbeiders kregen een pas waarmee ze dagelijks naar hun werk konden gaan buiten het getto. Eén van die werkplaatsen was de email-fabriek Emalia, onteigend van zijn Joodse eigenaar, en overgenomen door Oscar Schindler. Later schakelde Schindler over op de productie van munitie voor de Wehrmacht en vestigde hij zijn Joodse arbeiders in een eigen ‘Arbeitslager’ Brünnlitz. Hier slaagde hij erin de meeste van zijn arbeiders te beschermen tegen de nazi’s.

Deportaties uit het getto

De manier waarop de Joden uit het getto werden gedeporteerd geeft een goed inzicht in de misleidingtactieken zoals die door de nazi’ s werden toegepast. Omdat het getto zeer overbevolkt was, werden in december 1941 ruim duizend mensen overgeplaatst naar een ander getto in de buurt van Lublin. Een aantal van de verplaatste personen wist terug te komen naar het getto van Krakau en kon melden dat het inderdaad ging om een overplaatsing.

In juni 1942 werden stempels uitgereikt aan bewoners die ‘onmisbaar’ waren in Krakau. Meestal betrof dat mensen die een baan hadden in het getto of in een bedrijf daarbuiten. Ook hun gezinsleden kregen een stempel. ‘Wegens overbevolking’ zou de rest van de gettobevolking worden ‘overgeplaatst’ naar een ander getto. Gezien de ervaringen een paar maande eerder werd dat doorgaans geloofd. Daarom was er betrekkelijk weinig verzet toen op 2 juni duizenden in bussen moesten stappen om te vertrekken. Dit gedisciplineerde ‘instappen’ werd gefilmd voor propagandadoeleinden. De film werd ter beschikking van het Rode Kruis gesteld. Toen de film klaar was werden alle mensen weer uit de bussen geslagen en zeer gewelddadig te voet naar het station Plaszow gedreven, waar ze in de trein naar het vernietigingskamp Belzec stapten, waar allen zonder uitzondering werden vergast.

Omdat een aantal mensen zonder vrijstellingsstempel zich toch aan de deportatie hadden onttrokken, volgde er in de dagen na 2 juni gewelddadige razzia’s in het getto. De reden voor arrestatie heette nu te zijn ‘ongehoorzaamheid aan het gezag’. De gearresteerden waren namelijk niet bij de deportatie vrijwillig komen opdagen. Opnieuw werden duizenden naar Belzec afgevoerd.

Wie na die datum nog werd betrapt op verblijf in het getto zonder stempel werd gefusilleerd op de binnenplaats van een fabriek in het getto, de Optimafabriek.

Pas na de deportaties van juni 1942 bereikten berichten het getto dat er gaskamers werden gebruikt om Joden massaal te vermoorden. Daarom geloofden de bewoners nauwelijks nog in de verhalen van de Duitsers, toen in oktober 1942 opnieuw duizenden moesten vertrekken ’naar andere getto’s’. Daarom werd toen het getto door de nazi’s, geholpen door de Joodse politie, gewelddadig huis voor huis uitgekamd. Iedereen werd bijeengedreven op het Zgodaplein. Alleen mensen met een ‘onmisbare’ baan en mensen die zich toch met succes wisten te verbergen, bleven achter. De rest van de bevolking werd naar Belzec gedeporteerd. Bewoners van ziekenhuizen en weeshuizen werden op de binnenplaats van de Optimafabriek gefusilleerd.

De laatste gettobewoners werden op 13 en 14 maart 1943 overgebracht naar het zojuist gereedgekomen concentratiekamp Plaszow, gebouwd op het terrein van twee geruimde Joodse begraafplaatsen en rondom station Plaszow, vanwaar de treinen naar Belzec vertrokken waren en bleven vertrekken. Bij de totale ontruiming van het getto vonden meer dan 1000 mensen de dood.

In totaal werden in het getto 2000 Joden vermoord ter plaatse. 13.000 mensen werden gedeporteerd vanaf het Zgodaplein naar Belzec. Ongeveer 10.000 werden er overgebracht naar kamp Plaszow. Van deze laatste groep werden er 7000 gedeporteerd naar Belzec. De laatste 3000 Joodse bewoners van dit kamp werden naar Auschwitz gedeporteerd omdat vanaf oktober 1943 Belzec niet meer bestond.

Toelichting 16. De Kupa-Synagoge en na-oorlogs antisemitisme

Van de Joden van Krakau keerde na de oorlog slechts een klein aantal terug. In 1945 woonden in de stad 5000 Joden. Op 11 augustus 1945, tijdens een sabbathdienst in de Kupasynagoge, werd in de stad een dood kind gevonden. Onmiddellijk ging het verhaal door de stad dat de Joden dit hadden gedaan. Er brak een pogrom uit, waarbij de menigte ook binnendrong in de synagoge tijdens de gebedsdienst. Een Joodse synagogeganger werd doodgeslagen en er vielen tientallen gewonden. De Torarollen werden vernietigd. De gewonden werden naar een ziekenhuis gebracht. Daar werden zij opnieuw mishandeld en verpleegkundigen weigerden hen te behandelen.

De in 1643 gebouwde Kupasynagoge, Warschauera 8 in Kazimierz gaan we bezoeken.

Toelichting 17 Katyn

In september 1939 werd West-Polen bezet door de Duitsers en Oost-Polen door de Sovjet-Unie. Dit was de uitvoering van een akkoord tussen beide landen, het Molotow-Von Ribbentropverdrag. In april en mei 1940 werden, op persoonlijk bevel van Stalin, 22.000 Poolse gevangenen, vooral officieren en intellectuelen, geëxecuteerd in de bossen bij Katyn, vlak bij de grote Russische stad Smolensk. De executies stonden onder leiding van generaal Vasili Blochin, die hiervoor door Stalin een hoge onderscheiding kreeg. In april 1943 ontdekten de Duitsers de gecamoufleerde massagraven en maakten ze wereldkundig. Stalin, de belangrijkste bondgenoot van Roosevelt en Churchil, wees de nazi’s aan als daders. De premier van de Poolse regering in Londen Sikorski geloofde Stalin niet en vroeg om opheldering. Vlak hierna kwam hij op mysterieuze wijze om het leven. Ook na de oorlog bleef de communistische regering van Polen de schuld van Stalin ontkennen. Pas in 1992 werd die schuld erkend.

Veel van de slachtoffers was afkomstig van Krakau, voormalige studenten van de plaatselijke universiteit en seminaria. Voor hen staat een eenvoudig monument aan de voet van de Wawelberg

Vierde excursiedag. Cosel en omgeving.

Rondrit door omgeving Cosel (Kozle), met stopplaatsen in Cosel (Kozle), Sakrau (Zakrzow), Sankt-Annaberg (Gora Swietej Anny), Gogolin en Blechhammer (Blachownia). Lunch in Gogolin.

Toelichting 18. De Schmelt-kampen.

Cosel en de kampen erom heen zijn gelegen in Opper-Silezië, van 1939 tot 1945 een ‘integraal’, dat wil zeggen geannexeerd, deel van Duitsland.

SS-Oberführer Albrecht Schmelt was door Heinrich Himmler belast met de inzet van buitenlandse arbeidskrachten in Opper-Silezië. Primaire doel was de aanleg van baanvak Breslau-Gleiwitz, onderdeel van de grote Reichsautobahn die Berlijn moest verbinden met Odessa. Albrecht Schmelt had opdracht van Himmler de werkzaamheden aan de weg voort te zetten met Joodse dwangarbeid, nadat vrijwel alle vrije arbeiders waren opgeroepen voor de Wehrmacht. Schmelt kreeg zo grote zeggenschap over Joodse arbeid in Silezië. Hij richtte in 1940 een Zentrale op, van waaruit Joden in kampen werden tewerkgesteld. De eerste Joden waren afkomstig uit Opper-Silezië zelf, en werkten aan de aanleg van de Autobahn. (De huidige autoweg A4/E40, waarover wij van Katowice naar Kozle rijden). De Zentrale stond onder dagelijkse leiding van de ‘Ältestenrat der Juden’, de Oppersilezische Joodse Raad. De raad stond onder voorzitterschap van Moshe Merin, die evenals veel andere Joodse Raden, zich liet gebruiken als gewillige handlanger van de nazi’s bij de vernietiging van de Joden in zijn ‘ambtsgebied’.

Dwangarbeiders werden in eerste instantie opgesloten in Reichsautobahnlager (RAL). Alle RAL, soms ook RAB-Lager genoemd, bevonden zich langs het baanvak van de weg. Het waren er in 1942 dertien, waaronder Johannsdorf, Eichtal, Ottmuth, Gogolin, Sakrau, Annaberg en Niederkirch.

Toen het potentieel aan Joodse arbeid in Silezië was uitgeput kreeg Schmelt toestemming van Himmler om 10.000 mannen te selecteren uit treintransporten uit Nederland, België en Frankrijk, die op weg waren naar Auschwitz. Dat was in de periode van 28 augustus tot 10 december 1942. Toen begon ook een nieuwe fase in de ‘Organisation Schmelt’. De Joodse dwangarbeiders werkten niet meer voornamelijk aan de aanleg van de autosnelweg, maar zij werden uitgeleend aan industriële ondernemingen (wapenfabrieken, IG Farben, Krupp, mijnbedrijven), en aan de overheid voor een veelheid aan werkzaamheden, vooral de verbetering van het spoorwegnet. De Organisation Schmelt werd zo een groot arbeidsbureau voor Joodse dwangarbeid. Schmelt speelde een vernieuwende rol in de organisatie van Joodse dwangarbeid. Hij was de eerste die dwangarbeiders niet meer in eigen dienst liet werken, maar hen voor een vast bedrag per dag verhuurde aan bedrijven. Bovendien voerde hij het systeem van ‘ziekenselecties’ in; wie niet meer kon werken, werd naar de gaskamers van Birkenau gestuurd. Schmelt werd een concurrent van de SS in Auschwitz, die zich – naar het voorbeeld van Schmelt – ook ging bezighouden met verhuur van Joodse dwangarbeid aan industriële bedrijven, en die ziekenselecties invoerde onder zijn eigen werkkommando’s. De Joodse dwangarbeiders van Schmelt werden verspreid over een groot aantal (ongeveer 165) nieuwe kampen, die behoorden bij de Organisation Schmelt in Silezië en omgeving. De grootste van deze kampen was Blechhammer (Blachownia), waarover later meer.

In totaal werden ongeveer 9600 Joodse mannen en jongens, allen tussen 15 en 50 jaar, in Cosel met geweld uit de treinen naar Auschwitz gehaald. Zij kwamen uit Drancy en Pithiviers (Frankrijk), Westerbork (Nederland) en Mechelen (België). Van de 3400 Nederlanders onder hen kwamen 103 uit Limburg, van wie er 78 behoorden tot het transport van 28 augustus, het eerste Nederlandse transport dat op zijn weg naar Auschwitz stopte in Cosel, op 29 augustus 1942 in de namiddag om 5 uur.

De ‘RAL-kampen’ waren nu niet meer vooral werkkampen voor werk aan de autosnelweg, maar ook ‘Durchgangslager’, de plaats van eerste opvang van de West-Europese Joden, van waaruit zij werden verspreid over alle Schmeltkampen. Het voornaamste Durchgangslager was Sankt-Annaberg, waar wij vandaag een bezoek brengen. De meeste Limburgers gingen naar Sakrau, dat wij ook bezoeken. Velen kwamen later terecht in Spytkowitz (de doden werden begraven in Zator, waar wij zondag waren) en Blechhammer waar wij later vandaag naar toe gaan.

In 1943 en 1944kwam een einde aan de zelfstandigheid van het Schmelt-imperium. Sommige kampen werden gesloten). Andere kwamen als Nebenlager te ressorteren onder Auschwitz of onder Gross-Rosen. Het grote kamp Blechhammer waar toen bijna alle nog levende Limburgers zaten, werd Nebenlager van Auschwitz. De mannen in dat kamp kregen op 1 april 1944 alsnog een Auschwitz-nummer op hun arm getatoeëerd.

Rondrit

De autoweg A4 waarover we naar Kozle reden is de Reichsautobahn waarmee de Operation Schmelt begon. Nu is het een grote tolweg.

Station Kedzierzyn-Kozle in het stadje Kozle. Het goederenperron van dit kleine station is de plek waar vanaf 28 augustus 1942 tot 10 december 1942 de ‘Cosel-transporten’ aankwamen. Uit 19 treinen van Westerbork, 15 uit Frankrijk en 6 uit België werden de mannen van 15-50 jaar gehaald, en ingezet in de Organisation Schmelt in Silezië. Het eerste Nederlandse ‘Cosel-transport’ was het ‘Limburgse’ transport dat uit Westerbork vertrok op 28 augustus. Op dit station zullen we een minuut stilte in acht nemen voor de slachtoffers. In 2016 konden wij hier een gedenkteken realiseren voor de 9600 West-Europese ‘Cosel-Joden’ Slechts 875 van hen hebben de oorlog overleefd.

Durchgangslager Sakrau te Zakrzow bij Gogolin. Dit is het eerste kamp waar de Limburgers uit het transport van 28 augustus terechtkwamen. Van hieruit werden zij verspreid over werkkampen. Sakrau was later ziekenkamp waar veel van de mannen ziek terugkwamen, aangevoerd met ziekentransporten vanaf station Gogolin. Ook aan dit station zullen we een bezoek brengen. Veel zieken overleden in Sakrau. Sakrau was een klein kamp met slechts 3 of 4 barakken. Het voormalige kampterrein is nu geheel overgroeid met bos. Achter het voormalige kampterrein is de zandgroeve, waar in de eerst tijd van het bestaan van het kamp zand werd gewonnen voor het fundament van de Reichsautobahn.

Durchgangslager Sankt-Annaberg te Gora Swietej Anny, is een voor Nederlanders belangrijk kamp waar ongeveer 40 procent van de mannen en jongens uit Westerbork, die in Cosel uit de trein zijn gehaald, naar toe zijn gebracht. Het kamp ligt nu in een katholiek bedevaartsoord in een prachtige omgeving. Behalve Durchgangslager had het kamp later de functie van ‘revalidatiekamp’ (Erholungslager). Vanaf zomer 1943 was hier het hoofdkantoor van de Organisation Schmelt gevestigd in het gebouw waar nu een museum is gevestigd over de Poolse onafhankelijkheidsoorlog van 1918 tot 1920. Op het voormalige kampterrein is door een medereiziger van onze groep van 2016, nabestaande van een der gevangenen van Annaberg, in november 2016 een plaquette ter herinnering aan de kampslachtoffers onthuld.

Joodse begraafplaats Gogolin. Op de Joodse begraafplaats werden de Joodse mannen begraven die stierven in kampen rond Gogolin (Kampen Gogolin en Ottmuth). Zij liggen in een massagraf tussen vier oude bomen.

Blechhammer. Dit was het grootste kamp van Organisation Schmelt, waar vanaf 1943 de meeste overlevenden van de Coselgroep terechtkwamen. In Blechhammer, vlak bij het Joodse kamp, was een hydrogenisatiefabriek van steenkool voor de productie van synthetische benzine gevestigd: de Oberschlesische Hydrierwerke. Een kleine afstand naar het zuiden lagen fabrieken van IG Farben, ouder zusterbedrijf van de fabriek bij Auschwitz. In april 1944 werd Blechhammer een Nebenlager van Auschwitz en werden de gevangenen ingeschreven als Auschwitzgevangenen. De omheining en het crematorium uit die tijd zijn intact. Goed is de logistieke infrastructuur te zien. Ook ziet men nog de ‘Kartoffelkeller’, waar voedsel voor de kampbewoners werd ingekuild.

Vijfde excursiedag. Auschwitz-Birkenau.

Programma. In de ochtend wandeling van de Alte Judenrampe naar het kamp, naar de plaats waar de meeste Nederlanders zijn vermoord. Wij eindigen de gezamenlijke reis met een herdenking bij Bunker II of das Weisse Haus, waar de meeste West-Europese Joden zijn vergast.

Toelichting 19. Auschwitz-Birkenau

Tot de stichting van het kamp Birkenau (Auschwitz II) werd in eerste instantie besloten door de behoefte van IG Farben aan meer dwangarbeid dan het reeds bestaande Auschwitz I kon leveren . Voorbereidingen begonnen eind 1940. Medio 1941 begon de bouw. Pas vanaf eind 1941 kreeg Birkenau een toegevoegde functie: de uitroeiing van Joden en ‘zigeuners’. Eerste transporten Joden arriveerden vanaf mei 1942 (Slowaakse en Silezische Joden die meebouwden aan het kamp).

Birkenau omvat een terrein van 175 hectare, bedoeld voor 100.000 gevangenen.

In het functioneren van het vernietigingskamp zijn 2 fasen te onderscheiden:

1. Tot 16 mei 1944: aankomst Joden op de Alte Judenrampe. Selectie aldaar, meestal door gewone bewakers. Vervolgens gingen de meeste personen te voet of op vrachtwagens naar de ‘primitieve’ gaskamers (Bunker I en II). Tot 20 september 1942 werden daar vergaste Joden begraven in massagraven; later vond lijkverbranding plaats op roosters in de open lucht. De as werd gestort in de omgeving van de verbrandingsroosters. Dit lot trof vooral Joden uit West-Europa en Griekenland, onder wie vrijwel alle Limburgers.

2. Na 16 mei 1944: aankomst treinen IN het kamp op de (Neue) Judenrampe. Daar selectie door SS-artsen. Vergassing en crematie vond plaats in 4 moderne moordinrichtingen (Krematorium II, III, IV en V; Krematorium I was in Auschwitz I). As werd op veel plaatsen gestort. Dit lot trof vooral Joden uit Hongarije en de laatste Poolse en Russische getto’s, alsmede de laatste transporten uit Nederland en het zigeunertransport.

Ochtendprogramma

We rijden langs de parochiekerk van Brzezinka die is gevestigd in de Kommandatur van Birkenau, gelegen aan de rand van het kamp op de overgang van het middelste kampdeel en het in aanbouw zijnde deel Mexico.

Toelichting 20. Christianisering van de Holocaust.

Voor de vierde keer is dit een voorbeeld van de ‘christianisering’ van de Holocaust in Auschwitz. Eerder bezochten wij het monument in Monowitz (kruisbeeld zonder vermelding van Joden), het voormalige Karmelklooster in de opslagplaats van Zyklon B bij Auschwitz I, en het pelgrimsoord van Maksimilian Kolbe in barak 11.

In de ochtend volgen we verder het transport van 28 augustus 1942, met de Limburgse vrouwen en kinderen (de mannen waren in Cosel uit de trein gehaald). We lopen van de Alte Judenrampe naar de ‘primitieve’ Bunker II of ‘das Weiβe Haus’ (gaskamer).

Toelichting 21. Alte Judenrampe en Kartoffelbarakken

De Alte Judenrampe maakt deel uit van een groot spoorwegemplacement, Bahnhof West, met 14-16 sporen, dat dezelfde drievoudige functie kreeg als het hele Auschwitz-complex: verduitsing, economische ontwikkeling van de regio (IG Farben en andere industrie, landbouw) en Jodenvervolging.

Er stonden wachttorens om het hele interessegebied van Auschwitz: beide kampen, Bahnhof West en het landbouwgebied tussen het spoor en de Wisla.

De Kartoffelbarakken maken deel uit van Bahnhof West. Het waren pakhuizen en voedselopslagplaatsen van in de regio geproduceerde producten. Die werden verpakt door Joodse dwangarbeiders, en meestal doorgestuurd naar het Oostfront, soms naar Duitse steden. De uit Auschwitz-Birkenau ontsnapte Slowaakse Jood Rudolf Vbra heeft hier gewerkt en schrijft er uitvoerig over.

Het bestaan van de Alte Judenrampe was onbekend tot in de jaren negentig. Het beeld van Auschwitz werd geheel bepaald door foto’s van de laatste maanden van de gaskamers en door bekende films. De Judenrampe is pas in 2005 ingericht als Memorial Site door een Frans comité onder co-voorzitterschap van Simone Veil (ex-voorzitter van het Europees parlement en overlevende van Auschwitz) en van Beate Klarsfeld. Echter de plaats die nu staat aangeduid is niet exact de juiste: de rail van het spoor waar de Joden moesten uitstappen, ligt enkele tientallen meters verder in oostelijke richting van het nog steeds gebruikte goederenstation.

Op de Judenrampe kwamen ruim 0.5 miljoen Joden aan, van wie 55.000 Nederlanders. 43.000 vóór 23 febr 1943 (het begin van de transporten naar Sobibor) en 12.000 na 24 augustus 1943. Van deze 55.000 werden er 18.000 in het kamp ingeschreven, de overigen werden bij aankomst vergast. Uit het Limburgse transport van 28 augustus 1942 waren de mannen van tussen 15 en 50 jaar reeds in Cosel uit de trein gehaald. Bij de selectie in Birkenau werden slechts 5 jonge vrouwen voor werk geselecteerd, alle 200 overige Limburgers gingen dezelfde dag naar de gaskamer.

Op de Judenrampe vonden meestal twee selecties door SS-bewakers plaats. Uitladen en selecties vonden plaats met veel geweld, meestal in de nacht bij het licht van intimiderend felle schijnwerpers. Eerst werden de mannen gescheiden van vrouwen en kinderen; vervolgens vond een ruwe selectie van beide groepen plaats om de arbeidsgeschikten te scheiden van degenen die meteen zouden worden vermoord. Het aantal ‘arbeidsgeschikten’ was sterk afhankelijk van de op dat moment bestaande behoefte aan dwangarbeid. De selectie werd soms ondersteund door een redevoering ‘ter geruststelling’ met de globale inhoud: “Wij bepalen nu wie sterk genoeg is om te voet naar het kamp te gaan”. De voor werk geselecteerden gingen te voet naar het kamp. De voor vergassing bestemden soms per vrachtwagen.

Soms verliep de aankomst van een trein ook anders. Berucht is de gewelddadige manier waarop de trein uit Apeldoorn op 24 januari 1943 werd ontvangen. Alle meer dan duizend patiënten uit de psychiatrische instelling Het Apeldoornsche Bosch (onder wie acht Limburgers) en hun verzorgenden werden zonder selectie en met veel geweld in vrachtwagens gesmeten en naar de gaskamers gereden. In begin september 1942 was er oproer uitgebroken in een trein die afkomstig was uit Silezië. Bij aankomst op de Judenrampe werden de wagons één voor één geopend en alle inzittenden werden met machinegeweren neergemaaid.

Niet alle voor werk geselecteerden gingen naar kamp Birkenau. De vrouwen uit de eerste transporten gingen te voet naar Auschwitz I omdat het Frauenlager van Birkenau toen nog niet klaar was; 250 vrouwen werden uitgeselecteerd voor medische experimenten in Auschwitz I. Groepen mannen gingen rechtstreeks naar Monowitz of naar een ander Auβenlager.

Nadat in mei 1944 het perron binnen Birkenau gereed was gekomen bleef Bahnhof West en de Judenrampe fungeren als reserve: Hongaarse treinen stonden soms dagenlang hier te wachten op hun beurt. Het oude houten perron werd zelfs vervangen door een betonnen platform van 500 meter lengte.

Na bezoek aan de Alte Judenrampe lopen we naar de oude gaskamer Bunker II. Om hier te komen volgen we de in 1944 in gebruik genomen aftakking van de spoorbaan naar het kamp, passeren de ingang van het kamp, het nieuwe perron (de neue Judenrampe), lopen tussen beide Krematoria II en III door en gaan dan rechtsaf naar Bunker II. Alleen de fundamenten van Bunker II, die door de SS in 1944 is afgebroken, zijn zichtbaar. Bij Bunker II zullen we kort de slachtoffers herdenken.

Toelichting 22. Bunker II

Bunker II, waar de Limburgers op 29 of 30 augustus 1942 zijn vergast, werd ook ‘das weiβe Haus’ genoemd. Het was een van binnen totaal omgebouwde witte boerderij uit Brzezinka (Duits: Birkenau) met een stro-dak. Vlak voor deze plaats ziet men de fundamenten van twee uitkleedbarakken, één voor mannen en één voor vrouwen en kinderen. Bunker II bevatte 3 kleine gaskamers, waarin totaal 800 mensen konden worden gedrongen. De ruimten waren voorverwarmd, omdat Zyklon B (blauwzuur) pas bij 20 graden gasvormig wordt. Zyklon B werd via een opening in de deuren naar binnen gegooid. Na vergassing werden de haren afgeknipt en gouden tanden bij de lijken verwijderd door Sonderkommando’s. Tot 20 september 1942 (dus ook bij het Limburgse transport) werden de lijken begraven in massagraven, waaruit ze later weer werden opgegraven en verbrand. Na 20 september werden lijken verbrand op roosters in de openlucht. De as werd verstrooid op het terrein om Bunker II heen. Bunker II is in 1944 opnieuw in gebruik genomen als gaskamer en als executieplaats.

Bunker I (eveneens een verbouwde boerderij, das rote Haus) lag op enige afstand buiten het kamp. Men kan erheen lopen vanaf Bunker II (ongeveer een kilometer). Hij bevatte 2 kleine gaskamers, in gebruik vooral in begin 1942.

Plaatsen, om stil te staan op weg naar Bunker II:

Op onze tocht naar Bunker II geven we informatie over de situatie in Birkenau na 16 mei 1944. Toen waren er nog drie transporten uit Nederland (19 mei, 3 juni en 3 september 1944). De zigeuners behoorden bij het transport van 19 mei.

Het spoorwegperron binnen het kamp was in gebruik vanaf 16 mei 1944. Het was aangelegd voor een snelle afhandeling van een half miljoen Joden uit Hongarije. Er werden hier ongeveer 0.5 miljoen Joden aangevoerd in een half jaar tijd. De selectie gebeurde professioneel door SS-artsen. Mensen werden naar de gaskamer begeleid door een konvooi Rode-Kruiswagens die ook de Zyklon B (gekoeld) vervoerden.

In vier Krematoria (II tot V) werd vergast en daarna gecremeerd. Het eerste van deze werd in gebruik genomen medio 1943. In Krematorium 2 en 3 was de gaskamer en de uitkleedruimte in de kelder; in Krematorium 4 en 5 op de begane grond. De crematoria 2 en 3 hadden een capaciteit van 1400; Krematoria 4 en 5 van 800 moorden per dag. Zyklon B werd via een opening in het dak en een pijp in de gaskamer gebracht. Een lijkenlift bracht de dode lichamen naar verbrandingsovens op de eerste verdieping. Vóór Krematorium 4 bevindt zich een moeras dat vol ligt met menselijke as. In totaal is in Birkenau 3000 ton menselijke as gestort. Een urn met deze as werd in 1977 begraven onder het Auschwitzmonument van Jan Wolkers (het Spiegelmonument) in het Wertheimpark in Amsterdam. De Krematoria werden door de SS vóór de bevrijding met dynamiet verwoest. De ruïnes van deze actie zijn nu aanwezig.

Ook hier werden haren geknipt en gouden tanden verwijderd door Sonderkommando’s. De laatste hiervan kwam in opstand op 7 oktober 1944. Met behulp van springstof, die was geleverd door meisjes die moesten werken in de munitiefabriek van IG Farben, werd crematorium 4 verwoest. 200 Joodse gevangenen wisten te ontsnappen via een gat in de omheining van het Frauenlager. Allen werden weer gepakt en gefusilleerd.

In het ‘Badhuis’ werden de voor werk geselecteerde mensen ingeschreven. Zij ondergingen hier diverse fysieke en administratieve behandelingen, waaronder ontluizing, kaalscheren en tatoeëren

Kanada-barakken’: 30 barakken voor geroofde goederen. Het Kanada-kommando was begin 1943 van Auschwitz I naar Birkenau verplaatst. De hier aangetroffen geroofde goederen en menselijke overblijfselen (haren, protheses) liggen nu in de museumbarakken 4 en 5 van Auschwitz I.

De kampafdelingen worden meestal benoemd naar de situatie in mei 1944.

Links van het spoor van vóór naar achter een vrouwenkamp (5 x 8 stenen barakken; in de eerste rij barakken de ‘dodenbarak’) en een mannenkamp (4 x 8). Rechts van het spoor van vóór naar achter een ‘quarantainekamp’(1 x 19), het ‘familiekamp’ voor Joden afkomstig uit Theresienstadt (2 x 19), het kamp voor opvang Hongaarse Joden (2 x19), een tweede mannenkamp (2 x 19), ‘familiekamp’ voor zigeuners (2 x 19) en een ziekenkamp (18 barakken). Bij de zigeuners bleven de gezinnen bij elkaar; in het Theresienstadtkamp sliepen zij in afzonderlijke barakken, maar werden zij niet kaalgeschoren. Achter de kampen rechts van het pad bevindt zich het kamp ‘Mexico’, een kampuitbreiding die nog niet voltooid, maar wel ‘bewoond’ was toen Auschwitz werd bevrijd. De meeste barakken van Birkenau waren fabrieksmatig vervaardigde paardenstallen met 750 ligplaatsen voor gevangenen.

Herman en Annelies van Rens

Literatuur

Als u iets van te voren wilt lezen het volgende advies:

Wij volgen speciaal de weg van het ‘Limburgse’ transport van 28 augustus 1942. U vindt dit beschreven in mijn boek: Herman van Rens, Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands-Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog (Hilversum 2013) blz. 120-153.

Een goede algemene inleiding op het kamp Auschwitz: Sybille Steinbacher, Auschwitz, een geschiedenis (Utrecht 2005).

Een goede geschiedenis van Auschwitz is: Robert Jan van Pelt en Debórah Dwork, Auschwitz van 1270 tot heden (Amsterdam 1997).

Een mooi boek met veel fotomateriaal: Hans Citroen, Auschwitz-Oswiecim (Rotterdam 2011). In dit boek heeft de auteur, samen met zijn in Auschwitz geboren en inmiddels op jonge leeftijd overleden Poolse geliefde Barbara Starzynska, op een heldere manier beschreven en gefotografeerd hoe Auschwitz zich ontwikkelde, en op welke manier de herinnering in de loop der jaren is veranderd en soms vervalst.

Het Auschwitz Album (Zutphen 2005), het beroemde fotoalbum van de aankomst van het Hongaarse transport eind mei 1944 in Birkenau.

In: Rudolf Vbra, Ik ontsnapte uit Auschwitz (Utrecht 2012) beschrijft deze ooggetuige van de Holocaust het dagelijks leven in Auschwitz I, en het werken in IG Farben en in de Kanadabarakken.

Arnon Grunberg, Bij ons in Auschwitz. Getuigenissen van overlevenden van Auschwitz. Veel aandacht voor de Sonderkommando’s in de gaskamers.

Primo Levi, Is dit een mens? Is het beroemde boek van de Italiaanse overlevende van Auschwitz-Monowitz. Het boek beschrijft indringend het leven en sterven in Monowitz.

Over Cosel en de werkkampen in Silezië: Herman van Rens en Annelies Wilms, Tussenstation Cosel. Joden uit West-Europa naar dwangarbeiderskampen in Silezië 1942-1945 (Hilversum 2020).

Tadeusz Panciewicz, Krakow Ghetto Pharmacy (Krakow 2013, Engelstalig) Dit is het boek van de apotheker in het getto van Krakau. Het is een zeer volledige beschrijving van het lot van de Joden in Krakau.